


Want deze God is onze God,
eeuwig en altoos.
Hij zal ons geleiden
tot den dood toe.

Waarom zo vroeg?
Jouw kaars is opgebrand.
Jouw licht dat schijnt niet meer.
Ik pak nog even jouw hand,
voor de allerlaatste keer.
Waarom moest dit gebeuren,
en waarom zo vroeg?
Je ging slapen,
het werd nooit meer morgenvroeg.
Waarom zo vroeg?
Daar ligt hij nu geheel verlaten; het is hem in die diepte, schrikkelijk eenzaam zijn toestand is gans ondraaglijk hij moet er uit, Tot God heen, maar, wie zal hem helpen? Geen schepsel is in staat hem uit zulk een afgrond op te trekken. Zo is dan Israël een volk dat voortdurend in zonden zit,die het zelf over zich heen haalt zo heeft het dan gedurig verdraaidheden en ongerechtigheden in zich
Heden deze, morgen gene; en zo verzinkt Israel dan ge’durig in dezelve, zo heeft het schoon het Israel is in zichzelf volstrekt gene kracht om er zich weer uit te helpen.
Daarom moet HIJ ,de HEERE,het dan ge’durig doen, HIJ bij Wien de genade en veel verlossing is;
en zo luidt Zijn Woord,dat eeuwig blijft en machtiger is dan duivel en hel;HIJ ZAL het doen !
HIJ ZAL Israel verlossen uit al zijne Zonden"
Zal men misbruik maken van deze leer ?
Wie kan daar voor?
Er is geen mens ,die niet van alles misbruik maakt, Israel maakt er zelf het meest misbruik van.
Nochthans is het Israel,
Wat moet dat hier betekenen?
Een uitverkoren volk dat zeggen kan: ik kan zoveel zondigen als ik Wil,
IK word toch zalig?
Een volk,dat met zijnen hartstocht den spot drijft,
de schuld op het vlees werpt ,blijft wat het is, doet wat het wil,
en daarbij roemt:
Het kan mij alles niet schaden, zalig word ik evenwel ?
NEEN GEENZINS!
HET WOORD SPREEKT hier van een Israel, tot het welk zegt, dat het op den Heere moet hopen.
Het Woord belooft hier: dat Israel, het welk op den Heere hoopt,
Zal de HEERE verlossen uit alle zijne zonden.
Zo is het zulk een Israel, dat zijn ellende niet alleen kent uit de WET Gods, maar bij het welk ook een waarachtig last is en een oprechte begeerte, om niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden
Gods te leven, maar het gevoelt diep, en door en door, de macht der verdorvenheid; daarom zijn zij
Worstelaars met God; en alhoewel Zij menigmaal met beide handen naar de zonde grijpen en bekennen, dat zij de zonde liefhebben en opzoeken, zo willen zij nochtans weer in waarheid niets anders dan heiligheid en hebben die lief gekregen.
Zij verlangen naar een goed geweten met God: zij hebben dit met werken gezocht, maar het in dien weg niet kunnen vinden. Zij zoeken Gerechtvaardigd en geheiligd te zijn met Christus.
Maar elke dag drukt hen opnieuw iets terneder; God willen zij, Gerechtigheid willen Zij,
een wandelen in Gods Wil, in Zijne Geboden en Rechten, in Waarheid in Oprechtheid,
Zonder Huichelarij, en niet de Zonde!
Daarom heet het bij hen voor en na:
,,Uit de diepte roep Ik TOT U o HEERE '‘!
( Stond op z'n pc...)
